Lof der Afgemeten Dwaasheid

Deze tekst is een eerbetoon aan Desiderius Erasmus' Lof der Zotheid - een scherpe, satirische reflectie op menselijke dwaasheid. Net als Erasmus nodigt dit werk uit tot zelfonderzoek en scherpe observaties, met een flinke knipoog. Het stuk wordt regelmatig aangevuld en bijgewerkt met nieuwe hoofdstukken, zodat de reflectie levendig blijft.

Het idee ontsproot niet aan verheven studie, maar aan het alledaagse absurdisme: een gesprek tussen 'uithalers' in de metro, die zonder gêne bespraken hoe heet het werd in de containers, terwijl niemand om hen heen opkeek - alsof dit, net als regen of reclame, gewoon bij het stadsleven hoorde. Of die andere keer, bij een sollicitatie, waar men geen medewerker zocht die werkte, maar één die praatte - de vacature was slechts schijnvertoning, de functie een theaterrol. Men vond het logisch, ik was de enige die het vreemd vond. En toen dacht ik: ik was mijn masker vergeten. De wereld was niet kafkaësk geworden - ik was slechts te naïef geweest om te buigen naar haar regie.

Zo ontstond deze Lof der Afgemeten Dwaasheid: geen pleidooi voor mildheid, maar een dissectie van de tijdgeest met de scalpel van de spot.

Wie mij overigens alleen kent van zware gedichten en scherpe overpeinzingen, zou het misschien niet zeggen – maar ik lach veel. Graag en vaak. Want dwars door alle ernst en dwaasheid heen blijft er altijd ruimte voor plezier, absurditeit en een schaterlach. Want wie niet kan lachen, verliest het vermogen tot relativeren – en zonder relativering wordt zelfs het scherpste inzicht bot.

Het Huisgezin der Padden

Zalig zij die hun ware aard vergeten, want hun waan is hun beschutting. Zie daar het Huisgezin der Padden, dat zich met vurige toewijding voordoet als roofdieren van rang en reputatie. De moeder - een vrome, althans naar eigen opvatting - meer nog, een martelares! Zij draagt namelijk de last van arbeid die zij niet verricht, maar waaraan zij wonderbaarlijk geneest door de lome kunst van het leunen. Wat een beproeving, wat een zegen. En zie: hoe haar tong smeekt in smeekbeden, maar haar ogen glinsteren van trots, en haar handen rusten in eeuwige overgave.

De vader - een man met de tred van een bedevaarder en de blik van een imam, maar wat verkondigt hij? Niet wijsheid, noch barmhartigheid, doch het Heilig Woord van de Opgeheven Neus. In zijn borst klopt geen compassie, slechts het ritme van zijn eigen gelijk. Samen schrijden zij voort, met de schijnvroomheid van zelfverklaarde rechtgeleiden en het verstand van een holle olijf, neerkijkend op het gewone volk alsof zij de maat van het rechte pad zelf bepalen - met honger naar aanzien, maar niet naar kennis.

Doch zie het masker dat zij dragen! De moeder en vader, beiden meesters in het spel der ijdelheid: zij werken niet, maar eten toch de vruchten van de arbeid van anderen - hun kinderen voedend met voedsel betaald door de zwoegende handen van vreemden. De vader die een ziekte veinst, zwijgend en klaaglijk, terwijl zijn benen zonder krukken gaan, en zijn ogen elke kans op gemak zoeken. De moeder die doet alsof zij de taal niet machtig is - een taal die zij dondersgoed begrijpt, maar die zij verschuilt achter een sluier van onwetendheid, als een vos die zijn ware stem verbergt.

En de kinderen? Ach, de kinderen! Een leger van spruiten, elk met zijn eigen drift, maar met één gezamenlijke missie: de wereld herscheppen naar hun grillen. De oudste blaft meisjes toe met het woord "slet" alsof hij daarmee eer redt. De middelste werpt met vurige precisie stenen en aardkluiten naar ruiten, niet uit haat, maar uit een diepgeworteld gevoel van recht op vermaak. En de jongste? Die stampt met ware lust op bloemen, omdat kleuren hem provoceren en geur hem verwart.

Samen vormen zij een broederschap van afbraak - geen muur is veilig, geen ruit blijft heel, geen plant groeit ongestoord. In hechte samenwerking marcheren zij voort, als een karavaan van kleuters met de gezindheid van belegeraars. Alles wat mooi is, kwetsbaar, zacht of breekbaar - het wekt hun afkeer, want het herinnert hen eraan dat zij niets bouwen kunnen, slechts breken. Wat een kracht, wat een roeping!

En dan is er het onbegrijpelijke tafereel dat zich dagelijks voor de deur voltrekt: de kinderen die schijnbaar achteloos poepen en plassen op straat, terwijl hun moeder er vlakbij staat, achter de deur van hun eigen woning. Alsof het trottoir een acceptabel toilet is, terwijl er binnen dezelfde muren een fatsoenlijke wc wacht. Het is een merkwaardig schouwspel van onverschilligheid en nalatigheid, een stilte die spreekt van grenzen die niet worden bewaakt en normen die op straat worden achtergelaten. Dit is geen onbekend fenomeen; het wordt steeds vaker op film vastgelegd en gedeeld, als schrijnend bewijs van de steeds verder uitdijende chaos. Een absurditeit die de façade van het gezin alleen maar verder onderstreept - het overgeven aan de meest basale chaos, midden in het zicht van de wereld die toekijkt en niet ingrijpt.  

En als de dag zich in duisternis hult, en de laatste zonnestralen smeken om genade, dan barst het Huisgezin der Padden pas goed los. De kinderen – een dolle brigade van ongeremde energie – rennen en stampen door de kamers alsof zij een veldslag voeren tegen de stilte zelf. Hun voeten dreunen als donder, hun stemmen schallen als trompetten, en geen muur blijft onaangetast door hun onstuitbare komst. Rust? Dat is slechts een mythe, een legende uit vervlogen tijden. Overlast is hun anthem, chaos hun liefdeslied.

Maar wanneer eindelijk de storm iets kalmeert, komt de vader tevoorschijn: een heilige figuur, bekleed met de mantel van godsvrucht en ondoorgrondelijke routines. Met de nauwkeurigheid van een klok slaat hij om de paar uur zijn aanbiddingsgebed aan, dankend dat hij weer een dag gespaard is van arbeid, dat hij mocht toeven in het rijk van het nietsdoen. Zijn god is een stille partner in het grootse bedrog, een getuige van zijn gemakzucht en zijn stilzwijgende triomf.

Doch treur niet slechts om dit ene nest - neen, dit is het spiegelbeeld van een tijdgeest, een veelvoud aan soortgelijke samenstellingen die onze straten bevolken. Huichelaars die niets anders doen dan de lege woorden der vroomheid prediken, terwijl zij in waarheid leunen op de arbeid van anderen. Gezinnen die zich presenteren als heilige bastions, maar wier fundamenten zijn gemaakt van schijn en bedrog.

Maar vat mij niet verkeerd - met padden is niets mis. Laat hen gerust kwaken in het koor des levens, geduldig rustend op hun lelieblad, dromend van regen en zachte modder. Doch wee, wanneer een pad zich een cheetah waant - een wezen van snelheid en jacht, iets wat hij noch kan noch zijn zal. Wanneer hij het kwaken verruilt voor gegrom, en zich kleedt in de mantel van een roofdier dat hem ver overstijgt. Die waanzin is niet alleen tragisch, maar krankzinnig: een pad die verlangt naar vleugels die hij nooit zal hebben, en daardoor zichzelf kwijt raakt. Dan raakt het dierenrijk verward, en erger nog — de ziel van de pad zelf.

En zo leeft ergens ook een vos die denkt dat hij een duif is. Die zich vrijwillig in een kooi laat sluiten, die over eieren waakt alsof hij ze zelf gelegd heeft, en die - bij momenten van heimwee naar zijn ware aard - zich aan een duif te goed doet. De verwarring is totaal, maar ach, hij gelooft het zelf. En is dat niet de hoogste deugd in onze tijd? Zelfbedrog met heilige overtuiging!

O, hoe wemelt de wereld van lieden die niet zijn wie zij zijn, en juist dat met luider stem verkondigen. Laat hen, zo zegt men dan. Maar Erasmus zou zeggen: laat hen niet ongemoeid, maar beschrijf hen. Want in hun waan weerspiegelt zich onze eigen dwaasheid. 

Maar genoeg over het Huisgezin der Padden, dat zich nestelt in zijn eigen modderpoel van zelfbedrog. Laat ons nu het vizier richten op een ander collectief, even banaal en even boeiend: de reizigers in het openbaar vervoer. Zij die dagelijks in metalen cocons worden rondgereden als larven in een blikje, op weg naar bestemmingen die hen even weinig zeggen als hun medereizigers. Een volk dat zich schijnbaar vrijwillig overgeeft aan benauwdheid, vertraging en sociale gruwel – en dat toch telkens weer instapt, alsof de metro een vorm van penitentie is waarvoor men nooit bewust gekozen heeft.

Het Volk der Verplaatsing

Zie daar, het Volk der Verplaatsing: reizigers met bestemming of zonder, maar allen behept met hetzelfde onvermogen tot beschaving. Sommigen haasten zich naar werk, naar afspraken, naar een ergens dat betekenis lijkt te hebben; anderen dolen, schijnbaar stuurloos, maar vergis u niet – zelfs de zwerver die op elk station blikjes verzamelt en ze met priemende vingers uit vuilnisbakken vist, gekleed in een jas vol gaten en eau de container, weet donders goed wat hij doet. Zijn pad is vastberadener dan dat van menig forens met een badge om de nek.

Zij bewegen zich voort tussen haltes als mechanische mieren – niet uit gratie, maar uit gewoonte – en nemen slechts rust wanneer stilstand hen wordt opgedrongen door techniek of toeval.

Hun gedrag verraadt weinig menselijks: achteloosheid als cultuuruiting, onverschilligheid als stijlmiddel. De een kraakt pistachenootjes met religieuze toewijding, werpt de schillen op de vloer als een offer aan de goden van verval. Zonnebloempitten worden uitgespuugd als achtergelaten zonden, verspreid over de grond met de vanzelfsprekendheid van confetti. 

Een ander meent dat zijn muzieksmaak universeel is en laat via luide speakers de rest meegenieten van wansmaak met een beat. Niet uit trots – maar omdat stilte ondraaglijk is. En door het gangpad galmen telefoongesprekken, inhoudsloos, als een mantra van mentale leegloop, uitgesproken met de overtuiging van iemand die denkt dat spraak synoniem is aan bestaan. 

Dan zijn er de voetenheffers, de reizigers die hun schoenen op stoelen plaatsen alsof het heilige troonstoelen zijn, enkel om hun veters te strikken. Het is een schouwspel van gemakzucht en zelfbewondering: bekleding draagt het gewicht van onverschilligheid, medereizigers kijken toe met een mengeling van afkeer en berusting, terwijl de stille regels van fatsoen en ruimte zich krommen voor het ego van één. Wat een offer van normen, wat een triomf van zelfzucht!

En dan is er nog dat mysterieuze ritueel: het krabben aan de schedel. Niemand weet waarom ze het doen. Misschien een poging tot denken, misschien slechts een tik. Maar ze doen het - in treinen, op perrons, in wachtrijen. Alsof het hoofd plots een jeukend raadsel is dat dringend opgelost moet worden. Het is een beweging zonder betekenis, maar met zoveel overtuiging dat je zou denken dat daarboven iets groots gaande is. Spoiler: dat is niet zo.

En dan heb je de sloffers – mensen die hun voeten niet meer optillen, alsof zij een persoonlijk conflict hebben met de vloer. Zij slepen zich voort met het tempo van existentiële vermoeidheid, hun tred een auditief bewijs van zinloosheid. De tegenhangers? Dat zijn de drammers bij de uitgang: zodra het voertuig vertraagt, bonken ze op de knop alsof die op wonderbaarlijke wijze tijd zou kunnen versnellen. Tien keer drukken? Natuurlijk. Niet omdat het helpt, maar omdat het ergens op lijkt.

Zonder scherm zijn zij niets. Hun ziel is een kamer zonder meubilair, hun binnenwereld een wachtkamer zonder posters. Dus scrollen ze, swipen ze, tappen ze – als een priester met kralen, bang om te bidden. Zouden ze de telefoon verliezen, dan rest enkel stilte – en dat is ondraaglijk.

Zelfs in beweging zoeken ze aansluiting. Op perrons wandelen ze linea recta naar de uiterste rechterrand, alsof ze zich willen hechten aan de muur. Op straat lopen ze in keurige rijtjes achter elkaar, als ganzen op weg naar de slacht. En al zit je moederziel alleen in een coupé, reken maar dat ze naast je komen zitten – alsof nabijheid een vorm van zelfbehoud is. Niet uit warmte, maar omdat de leegte anders te luid zou klinken.

Ze rochelen, snuiven, proesten zonder gene, zonder hand of zakdoek, alsof hun longen protesteren tegen beschaving. De zakdoek is een raadselachtig artefact, een legende uit het prehistorisch tijdperk. Tussendoor eten ze: zakken chips verdwijnen, koeken worden verorberd, kruimels achtergelaten als kruimelsporen van beschaving die nooit kwam. Blikjes worden achteloos op stoelen gedeponeerd – stille monumenten van 'laat maar liggen'.

En als de zon zich even terugtrekt en de temperatuur daalt, zoeken ze elkaar op als duiven op een overvolle tak. Niet uit genegenheid, maar uit primaire behoefte: warmte, nabijheid, en de geruststelling dat niemand hier alleen hoeft te denken.

Het gebrek aan hygiëne, dat zo zichtbaar en tastbaar is onder het Volk der Verplaatsing, is niet slechts een kwestie van ongemak of onbeleefdheid. Het krijgt met enige regelmaat de krantenkoppen toebedeeld wanneer zich incidenten voordoen zoals uitbraken van E. coli door besmette blauwe bessen, of ander besmet voedsel. Deze gevallen zijn geen onschuldige toevalligheden, maar veeleer een illustratie van een collectieve lak aan zorg: groenten die geconsumeerd worden alsof moeder natuur zelf ze al gewassen had; handen die na een dag vol handgrepen en gezichten aanraken de weg naar zeep niet weten te vinden.

Dit alledaagse nalaten en onachtzaamheid vormen de voedingsbodem voor iets veel ernstigers. Want elke keer weer, wanneer de natuur haar spel speelt en een nieuw virus opdoemt, zien wij hoe het slordige weefsel van onze gewoonten scheurt en barst. De epidemieën van weleer waren geen plotselinge rampen, maar het onvermijdelijke resultaat van een voortdurende keten van onverschilligheid.

Zo zijn wij, van het Volk der Verplaatsing en hun onbeschoftheid, gesprongen in het tijdperk der maskers: de coronatijd, waarin het gebrek aan hygiëne en de angst voor ziekte samensmolten tot een sociaal drama van ongekende omvang en absurditeit.

Het Tijdperk der Maskers

Toen de storm van de pestilentie aanbrak, onthulde zij de ware aard van het mensdom met genadeloze helderheid. De gekte van het hamsteren – karren vol toiletpapier, als waren zij de laatste overlevenden van een apocalyps – zette zich voort met een drang die elk fatsoen tartte. Ik stond zelf na mijn arbeid voor het broodvak, waar geen enkel brood meer te bekennen was, zelfs niet in luchtdichte verpakking. Naast mij stond een oud vrouwtje, haar blik vervuld van verbijstering: zij zou die avond zonder haar geliefde avondmaal moeten zijn.

Lang na het hoogtepunt van deze hamsterwoede, trok ik met drie tassen – waarvan slechts één met twaalf rollen toiletpapier, de andere met kattegrond en proviand – door de straten. Doch de blikken van voorbijgangers waren als dolle honden, verwijtend en argwanend, alsof ikzelf een hamsteraar was die het geluk van anderen bedreigde.

Het was de tijd van koppige weigering, obstinaat verzet tegen maskers die, al dan niet effectief, eenvoudig en zonder protest gedragen hadden moeten worden. Op straat en in winkels laaiden vlagen van woede op, mensen vlogen elkaar in de haren om het dragen van een lap stof over mond en neus. Persoonlijk moet ik bekennen dat die lap mij allerminst onwelgevallig was; ik zag er aantrekkelijker uit mét dan zonder, een ironische twist in een tijd van wantrouwen en verdeeldheid.

Tijdens een wandeling met mijn tante in het bos schreeuwde aan de overkant een vrouw haar gal uit, overtuigd dat wij haar bedreigden door 'te dichtbij' te staan, alsof men in deze tijd kilometers afstand moest houden van iedere ziel.

Doch de ware maskers verdwenen, onthullend wie men werkelijk was: de doodsbange die zich koesterden in hun diepgelovigheid en zich alsmaar lieten prikken, uit vrees en hoop op bescherming. Zij wantrouwden de ongevaccineerden, wier weerstand zij met verbittering verwierpen. Hoe dwaas de mens is, zoveel vertrouwen te hechten aan een medicijn uit de mouw geschud, terwijl men al decennia geen geneesmiddel voor kanker kent. En toch, dit middel zou alleen werken als anderen het ook namen – een absurde gedachte die getuigt van de diepste onzekerheid en het verlangen naar gemeenschap.

Daartegenover stonden de asocialen, die zich niets aantrokken van andermans angst. Creatieve geesten die, uit gemakzucht en wanhoop, een huisdier aanschaffen om toch buiten te komen – dieren die massaal werden gedumpt zodra de restricties vervielen. En de schaduwzijde van de mens: zij die dreigden te rochelen, met woorden als 'krijg de covid', het lelijkste van hun wezen zichtbaar makend. Een spiegel van het tijdperk waarin menselijkheid onder druk brak.

In de geschiedenis werden dergelijke tijden ook gekenmerkt door mondkapjes: de laatste grote epidemieën in Europa, waarbij men zich beschermde tegen zoonosen – ziekten die van dier op mens overspringen, zoals de pest, vogelgriep en andere verwoestingen. Men stond in meterslange rijen geduldig te wachten voor de slagerij. Met trillende handen werd daar een plakje zoonose bemachtigd, dat men thuis voorzichtig op een boterham legde, of neerlegde naast de aardappelen op het bord – een klein fortuin van troost en overleving, gekoesterd als een relikwie in tijden van schaarste, terwijl buiten de wereld woedde en het dagelijks leven onder de verstikkende deken van ziekte en angst kraakte. En zo bleef te midden van al dat gesteggel over medicatie en vaccinaties, men krampachtig vasthouden aan eigen zienswijzen, overtuigd van de onfeilbaarheid daarvan, terwijl het idee om juist die bronnen van ziekte – de overdaad aan dierlijke producten op het bord – eens grondig aan te pakken, nauwelijks opkwam. Veganisme? Onbestaand, buiten het bereik van hun beperkte overlevingstocht. Het gemakzuchtige behoud van het oude menu blijkt steeds weer te heilig, ook al brengt het hen keer op keer weer in het harnas tegen nieuwe plagen.

Terwijl de mens zich ontvouwde in zijn donkerste aard, kende de natuur een ongekende bloei. Straten verstilden, vogels keerden terug, vissen zwommen in heldere wateren, en de lucht was vrij van het spoor van vliegtuigen. De vrijheid was onbeschrijfelijk, maar de houding van de mensen onuitstaanbaar.

En zodra zij weer ademruimte kregen, wisten zij niet hoe snel te rennen, te vieren en naar andere opgesloten wezens te kijken: de dierentuinen, een sadistisch voyeurisme. De vrouwen die, al die tijd opgesloten en verveeld in de thuiskluisters, betraden massaal de wereld van de plastische chirurgie om met kunstmatige billen te pronken, want wat is er nou eleganter dan een opgepompte derrière als troostprijs voor een gebrek aan echte beweging? Alsof men dacht: 'Als het zitvlak niet wil groeien door sporten, dan maar door snijden en plakken!' Een wervelwind van BBL's, alsof het verdwijnen van de vrijheid gelijk staat aan het inzakken van de achterste regionen.

De Baantjesbisschoppen

Maar waar was de leiding, de redelijkheid, de menselijke maat? Terwijl de straten leegstroomden en de natuur herademde, bleven de zalen der macht gevuld met holle echo's en gewichtig gezwets. Want wie in de bovenkamers van het land regeert, lijkt vaak weinig zicht te hebben op het zwoegen in de laagbouw, weinig begrip voor lege koelkasten, slapeloze nachten of kinderen die op schoenen wachten. De goedbetaalde gezichten die ons zogenaamd vertegenwoordigen – zij herhaalden hun riedel op automatische piloot, soms veilig op afstand van directe nood of realiteit.

Er werden soms regels overtreden, zonder dat het meteen de aandacht trok. Terwijl de burger afscheid moest nemen van stervende geliefden via een telefoonscherm en verjaardagen vierde in eenzaamheid, vonden er achter de schermen bijeenkomsten plaats, met drank en gesprekken die voor buitenstaanders wrang kunnen overkomen. Geen bezoek mocht je ontvangen, zelfs ziekenhuizen bleven gesloten voor troostende handen, maar in de wandelgangen van het gezag klonken geregeld glazen – een pijnlijke tegenstelling.

En zo komen wij bij hen: de machthebbers. De spelers in een baantjescarrousel die voortdurend draait, zonder echt stil te staan bij het dagelijks leven van velen. Zij wisselen regelmatig van positie, soms richting adviesraden of maatschappelijke instellingen, waar ervaring wordt ingezet, maar ook het eigen netwerk een rol speelt. Zij lijken eerder uit gewoonte te regeren dan uit roeping – een elite die het toneel bespeelt van schijnbelangstelling. Het leed van de burger blijft vaak beperkt tot een voetnoot in beleidsnota's, een statistiek onderweg naar de volgende carrière stap. Of, als het echt uit de hand loopt, is er een moment van bezorgdheid met opgetrokken wenkbrauwen: "Hoe heeft dit kunnen gebeuren?"

Maar die verbaasdheid voelt soms als toneel, een tragikomische klucht waarin de daders zichzelf aanwijzen als verontwaardigde toeschouwers. Telkens wanneer de mist optrekt en de schade zichtbaar wordt, trekken zij zich terug, als palingen in het moeras. Verklaringen volgen, onderzoeken worden ingesteld, en rapporten geschreven – lijvige documenten waarin veel wordt gezegd, behalve wat echt telt.
En het volk? Ach, het volk wendt de blik af, moe van verontwaardiging, en schuift opnieuw het stemhokje in met de hoop dat wie gisteren tekortschoot, morgen misschien toch recht kan doen.
Het is een oud toneelstuk, herhaald in eindeloze akten. Zo herinneren we ons nog hoe het volk in 2005 massaal "nee" stemde tegen een Europese grondwet – een nee zo helder dat zelfs de doven het hoorden. Maar in de wandelgangen van de macht werd het afgedaan met een lach: "Dat hadden wij niet zo bedoeld." En zonder blikken of blozen werd het hele circus opnieuw gepresenteerd onder een andere naam – het Verdrag van Lissabon – met nagenoeg dezelfde inhoud.

Aan het roer stonden de hoeders van het compromis, die aan alle kanten spreken, maar altijd oog lijken te hebben voor hun eigen positie. Hun morele kompas lijkt vooral afgesteld op baankansen en mediavriendelijkheid. Of het nu gaat om toeslagenleed, ouders die door wanbeleid werden getroffen, of zieken die stierven zonder afscheid, het lijkt alsof zij zich nauwelijks herinneren. Geen actieve herinnering is geen excuus meer, het is soms ook beleid geworden.
En zo draait het rad der baantjes verder, aangedreven door gladde woorden, verdoezelde schandalen en een electoraat dat zo vaak teleurgesteld is dat het liegen soms als normaal wordt gezien. Men spreekt over verbinding, maar lijkt vooral te doelen op verbinding met de eigen carrière.

De Baantjesbisschoppen – of zij nu hun handen vouwen in Haagse gebedsdiensten voor de peilingen, of zich met plechtige blik over camera's buigen – zij lijken slechts één vast geloof te hebben: het geloof in voortzetting van hun eigen positie. Wat buiten hun bubbel van pak hem beet schaaltje 18 gebeurt, is vaak louter decor: armoede, woningnood, zorgcrisis – hoofdstukken uit een boek dat zij zelden echt lezen, maar toch becommentariëren op de borrel, met een wrange grap en een slok uit een glas betaald door de belastingbetaler. 

Het Kerkvolk

Op kerstavond begaf ik mij, na lange afwezigheid, naar een katholieke mis, niet uit versterving van geloof – dat geloof draag ik altijd bij mij – en niet omdat het gebouw of de rituelen mij van binnen raken; daarover ben ik eerlijk. Vele kerken heb ik bezocht, Pinker- of Evangelische gemeentes, elk met hun eigen charme, elk met hun eigen kleur van vroomheid, maar geen enkele heeft tot dusver de stilte weten te evenaren die ik ervaar op een bergtop, in gesprek met God, vergezeld door vogels, door vlinders, in een samenzijn dat zich niets aantrekt van muren, wierook of gezangen. Ik zat daar uit nostalgie, om te zien hoe het er nu ook alweer aan toeging. Het gebouw zelf, gehuld in sombere duisternis, schreeuwde om onderhoud: hout dat kreunde onder zijn eigen gewicht, muren die de tijd trachtten te dragen zonder hulp, verf die zich langzaam terugtrok uit het contact met het leven. En toch, zelfs in zijn aftakeling, bleef het een bouwwerk dat men koesteren moest – niet omwille van de mis, maar omwille van zijn wezen, omwille van het sierlijke aangezicht, omwille van de klokken die, eenmaal weer in beweging gebracht, hun stem door de straten zouden laten rollen als herinnering aan wat ooit heilig was.

Binnen werd de mis voltrokken met een ernst die zich nauwelijks liet trotseren. De salie, eeuwenoud in zijn functie, verspreidde een geur alsof eeuwenoude scheetjes erin gevangen waren, een substantie die menig mens tot hoesten bracht en de adem deed stokken. Mijn buurvrouw, een vrouw van nuchtere zinnen, die niets begreep van de mystiek maar alles van oordeelkundige observatie, fluisterde droog: "Komt ie weer met het stinkertje."

Het volk was verdeeld in beweging en intentie. Een groep bleef staan, een groep bleef zitten, een groep draaide zich rond en keek om zich heen, onzeker of zij nu stonden of zaten, zoals menig ziel in twijfel over de juiste maat van devotie. En daar was zij – een vrouw met een scheef oog dat elk nieuw gezicht bespiedde, niet in haat, niet in wrok, doch in de stille verontwaardiging van iemand die meent dat ware inzet meetbaar is aan de nauwkeurigheid van kniebuigingen, aan de absolute correctheid van gezang, aan het perfecte ademritme bij elke genade-uitroep.

De priesters en acolieten bewogen zich door het gebouw in hun gewaden, een middeleeuws theater, een dans die de eeuwen trotseerde, onbewogen door de waan van de wereld eromheen. Zwaaien, buigen, lopen met heilige voorwerpen – het was ritueel, het was theater, het was een levend bewijs dat traditie sterker is dan modern gemak, sterker dan het kortstondige oordeel van voorbijgangers. "De priester zingt vals," fluisterde de buurman, en ik deed mijn best het lachen te onderdrukken, want ernst heerst hier, en ongepaste vrolijkheid is een misdaad tegen het ritueel.

En dan het koor, verborgen achterin, boven ons, dat zijn stemmen liet rijzen als vogels die opstijgen uit de duisternis van de aarde: Ave Maria, Pie Jesu, de heilige nacht. Daar kwam men voor, daar zocht men nostalgie, een echo van verloren tijden, een herinnering aan iets heilig dat de tijd niet volledig had verzwolgen.

En toen de mis begon, klonk er een gebed gericht tot Maria. Hoezeer Maria ook gezegend is, nergens in het Schrift wordt ons opgedragen ons gebed tot haar te richten. Integendeel: Christus zelf leerde zijn volgelingen te bidden tot de Vader, en toen men Hem onderbrak met de mededeling dat zijn moeder buiten stond, wees Hij die bijzondere status nadrukkelijk van de hand. "Wie de wil doet van mijn Vader," zei Hij, "die is mijn moeder." Het gebed dat Hij naliet, was helder van adres en zonder omwegen. 

En terwijl het volk zich bewoog, hoestte, keek en zong, kon men niet vergeten dat er rituelen zijn die wij wél behoren te onderhouden, rituelen waarvan de waarde en de opdracht door Christus zelf zijn uitgesproken. "Doe dit, telkens wanneer jullie dit brood eten, om Mij te gedenken," sprak Hij, en evenzo over de beker: "Drink hiervan, zo vaak als u ervan drinkt, tot Mijn gedachtenis." In deze woorden ligt de kern van wat het katholieke geloof met standvastigheid in ere houdt: het Avondmaal, het breken van het brood, het drinken van de wijn, niet als theater, niet als versiering, maar als bewuste herhaling van hetgeen Hij ons opdroeg, een herinnering aan het offer, een echo van de verbondenheid die zich door de eeuwen heen blijft uitstrekken, en die menig ander ritueel van onze dagen vaak mist.

Het mandje ging rond. Niet langer de diepe lederen buidel van weleer, waarin men heimelijk een stuiver of een pepermuntje kon deponeren, maar een open rieten mand, zodat ieder kon zien wie gaf en hoeveel. De kwajongens die ooit een knoop of een cent inwierpen, waren verdwenen, en wij trokken onze beurs open, met een gevoel van tevredenheid dat voortkwam niet uit plezier, maar uit de erkenning dat dit ritueel – hoe ons niet passend, hoe ons niet toebehorend – een erfgoed is dat men bewaren moet, omdat het bouwwerk, de klokken, de stenen en de gewaden getuigen van een wereld groter dan onszelf, van een continuïteit die zelfs de menselijke absurditeit trotseert.

De Onophoudelijke Invasie

Hoe wonderlijk is het rijk der haren, een rijk dat, ogenschijnlijk onschuldig, het dagelijks leven van de mens met een zachte hand doch onontkoombaar beïnvloedt. Overal liggen zij: in het eten, op de vloer, in de afvoerputjes – een eeuwige rui die zich ophoopt en weigert te verdwijnen, alsof de wereld nooit schoon zal zijn. Zij zijn overal, en nergens lijkt veilig, verstopt in de hoeken van stoelen, in de plooien van kussens – stugge hondenharen, die zich vastzetten als naalden in een tapijt, elk trachtend een eigen leven te leiden. Kattenharen, die in dichte bollen over de woestijnvlakte van kamers rollen, als miniatuur tornado's van wollige absurditeit, waaiend door de gangen, verlangend naar een plek om zich aan vast te hechten.

En daar zijn de schedels. Mensenhoofden, vaak onverzorgd, onderhevig aan krabbewegingen die huidschilfers de vrije lucht in sturen – een groteske witte wolk, die elk onzichtbaar ritueel markeert: krabben, kammen, inspecteren – de menselijke ijdelheid in miniatuur, een theater van geduld en onzekerheid. Men observeert de contrasten: jeugdige lokken naast oude, taaie kruinen; kunstmatige touwen die zich voordoen als ware haren; kleine knopen die zich vasthechten alsof zij het recht op bestaan opeisen. Vette haren, droge haren, jeugdige lokken, oude haren waaraan men zich met heilige ijver vastklampt – allen dansen zij in een macabere choreografie van alledaags verval. Twee haren, dierbaar en gekoesterd, zijn de kroon van een oude man, de trots van een jonge dame; de rest verspreidt zich in alle richtingen, vrij en onbezonnen. 

De jonge dragers van overvloedige lokken – vooral zij die hun kruin noch in lengte noch in dichtheid voldoende achten – voegen zich bij dit rijk der vreemde vezels. Haren van anderen, geplukt, verkocht, getransplanteerd of zorgvuldig geïmplanteerd, hechten zich aan hoofden alsof zij, door de verbinding met een ander schedelvlak, ook diens glorie of jeugd konden overnemen. Hier aanschouwt men een stille paradox: men verlangt naar het eigene, doch neemt genoegen met het vreemde, en aanschouwt het als decor van eigen identiteit.

Doch de haren van anderen zijn nog merkwaardiger. Synthetische haren, geperfectioneerd of slechts schijn, kronkelen als kabeltouwen over de hoofden van de dragers; knopen, soms als touwen die een schip sieren, doen zich voor als lokken, onbuigzaam, hardnekkig, een uitdaging voor kammen en vingers. 

Alle lof voor de bakkers met kale hoofden, die zich nederig buigen boven hun deeg, zodat wij zeker mogen zijn dat geen menselijk haar ooit ons brood zal sieren. Alle lof voor hen die ijverig haarnetjes dragen, de stille wachters van ons eten, en voor allen die hun lokken in een knot of staart binden wanneer zij zich nabij het fornuis begeven. Laat ons deze kleine schildwachten van de maaltijd eren, want hun toewijding, hoe onopvallend ook, beschermt ons tegen het onvermijdelijke rijk der haren en verdient, minstens in gedachten, een kroon van dankbaarheid. 

Lof der Arbeid

Er zijn mensen die het weefsel van het dagelijks leven dragen zonder dat hun namen worden genoemd. Zij treden niet op de voorgrond, zij eisen geen lof, maar door hun voortdurende inzet blijft de wereld bewoonbaar, ordelijk en menselijk. Hun arbeid is geen bijzaak; zij is fundamenteel.

De politieman staat daar waar spanning ontstaat en onzekerheid dreigt. Met waakzaamheid en zelfbeheersing bewaakt hij de orde, niet uit eigenbelang, maar uit verantwoordelijkheid voor de gemeenschap. Dat hij zijn veiligheid daarvoor in de waagschaal stelt, is geen toeval, maar een bewuste keuze tot dienstbaarheid.

De brandweerman treedt het gevaar tegemoet wanneer anderen terugdeinzen. Met vastberadenheid en vakmanschap bestrijdt hij vuur en verwoesting, en redt hij levens en bezittingen. Zijn moed is niet luidruchtig, maar standvastig; zijn aanwezigheid brengt rust waar chaos heerst.

De verpleegkundige en de verzorger wijden zich aan de mens in zijn kwetsbaarheid. Met geduld, toewijding en mededogen verlichten zij pijn en dragen zij zorg wanneer zelfstandigheid tekortschiet. Hun werk getuigt van menselijkheid in haar meest zuivere vorm.

De arts stelt zijn kennis en oordeel in dienst van genezing en verlichting. Met zorgvuldigheid en verantwoordelijkheidsbesef onderzoekt, behandelt en begeleidt hij, steeds met het welzijn van de ander als hoogste doel. In zijn handelen verenigen zich wetenschap en plicht.

De tandarts waakt over gezondheid en waardigheid. Door zijn nauwgezette arbeid voorkomt hij lijden en bewaart hij de mogelijkheid tot spreken, eten en glimlachen zonder hinder. Ook dit is zorg van groot belang.

De buitengewoon opsporingsambtenaar handhaaft regels die samenleven mogelijk maken. Met rechtvaardigheid en kalmte schept hij duidelijkheid en veiligheid in de openbare ruimte. Zijn werk draagt bij aan orde en vertrouwen.

De machinist bestuurt de trein met precisie en verantwoordelijkheid. Dag in, dag uit vervoert hij mensen veilig naar hun bestemming, en verbindt hij steden, dorpen en levens. De buschauffeur vervult eenzelfde taak, geduldig en betrouwbaar, en draagt zo het ritme van het dagelijks bestaan.

De verkeersregelaar staat zichtbaar in weer en wind, en leidt het verkeer met duidelijke gebaren. Door zijn oplettendheid en discipline voorkomt hij ongevallen en bewaakt hij de doorstroming van mens en voertuig.

De bakker bereidt met vakmanschap het brood dat velen voedt. In de vroege uren, wanneer de dag nog moet beginnen, zorgt hij voor een basisvoorziening die zowel lichaam als gemeenschap versterkt.

De schoonmaker onderhoudt de ruimtes waarin wij werken, wonen en samenkomen. Door zijn inspanning blijven deze plaatsen schoon, veilig en waardig. Zijn werk is onmisbaar, al wordt het zelden benoemd.

De groenvoorziener verzorgt de openbare ruimte en bewaakt het evenwicht tussen mens en natuur. Door zijn inzet blijven straten, parken en pleinen leefbaar en ordelijk. De vuilnisman tenslotte verwijdert wat wij achterlaten, en beschermt zo gezondheid en hygiëne voor allen.

Dit zijn geen grote namen uit de geschiedenisboeken, geen figuren die in steen worden vastgelegd. En toch vormen zij, samen met de postbezorger die weer en wind trotseert om verbinding te brengen, de loodgieter die herstelt wat men pas mist wanneer het faalt, de aannemer die bouwt aan beschutting en ruimte, de installateur die zorgt dat warmte, water en licht betrouwbaar functioneren, en de pakketbezorger die het hedendaagse leven tot aan de voordeur draagt, het fundament waarop het dagelijks bestaan rust.

Naast hen staan nog tallozen: beroepen die zelden genoemd worden, werkzaamheden die vanzelfsprekend lijken zolang zij worden verricht. Te veel om op te sommen, en juist daarom allen van gelijke waarde. Niet omdat zij bijzonder willen zijn, maar omdat zij noodzakelijk zijn. Wie dit erkent en hun bijdragen respecteert, begrijpt hoe een samenleving werkelijk in stand wordt gehouden.