De sneeuwbal van Petrus
Bij aankomst aan de rand van het bos werden de tassen en zakken geleegd.
Alles wat eten of drinken was, moest eruit. Geen voorraad, geen zekerheid, geen verborgen comfort. Alles verdween in de kuil.
Dat gebeurde niet zonder protest. De karaktertest was per direct begonnen, en het zag er niet bepaald fraai uit. Ik was benieuwd hoe mensen zich zouden gedragen wanneer de vanzelfsprekendheden werden weggenomen.
Ik was geen gemakkelijk mens in die tijd. Een mormel, dat geef ik eerlijk toe. Niet bepaald iemand die bekendstond om zachtheid. Ik begrijp dat sommigen nog altijd met gekromde tenen terugdenken aan die periode, of nog altijd kwaad over mij spreken.
Misschien hebben ze daar ook reden toe.
Een bokser die maar bleef vertellen over zijn energieke verleden, zou ik meenemen naar een sportles. Niet om hem te breken, maar om hem zichzelf opnieuw te laten ontmoeten. Zoals verwacht had hij daarna weken nodig om te herstellen. Over boksen heb ik hem daarna nooit meer gehoord.
Je kunt niet blijven pochen alsof je lichaam nog hetzelfde is als vroeger. Op een bepaald moment moet je de realiteit onder ogen zien. Zelfs na een week niet trainen begint je kracht al af te nemen. Het lichaam vergeet sneller dan het ego wil toegeven.
Maar goed, terug naar het bos.
Het plan was eenvoudig: een paar dagen zonder eten, zonder normale slaap en alleen drinken wat er verstrekt zou worden. Geen luxe, geen ontsnapping. Alleen de omstandigheden en de manier waarop mensen daarop zouden reageren.
Het geklaag begon vrijwel meteen. Steen en been werd er geklaagd.
Het stond in schril contrast met een eerder bivak tijdens een sneeuwstorm. Daar had een deelnemer zelfs geen eigen eten bij zich. Met haren zo rood als vonken die uit een vuur opspringen en een huid zo wit als de sneeuw zelf, bukte hij zich, pakte een sneeuwbal en begon die al lopend op te eten.
Dat beeld is me altijd bijgebleven.
Dat raakte mij. Omdat hij accepteerde wat er was. Geen drama, geen verzet tegen iets waar hij toch geen invloed op had. Gewoon doorgaan.
Dat kon mij bekoren. Dat raakte mijn hart.
Maar terug naar het bos.
Na een dag vol gemopper werden in de nacht de zelfgemaakte hutjes opgezet. Er zou geslapen worden.
Maar dat was ijdele hoop.
Na amper een uur, zo herinner ik mij, kwam plotseling het bevel om te vertrekken. We moesten weg, en snel ook. We bevonden ons op terrein waar we niet hoorden te zijn.
Opnieuw kwam het protest.
Opnieuw het geklaag.
Ik kreeg te horen dat sommigen hadden valsgespeeld. Er was een reep snoep verstopt geweest, goed voor ongeveer 300 kilocalorieën, die eerder die dag stiekem was opgegeten.
Misschien was dat op zichzelf niet het grootste probleem. Het was niet die reep die mij dwarszat. Het was het gebrek aan respect voor de rest van de groep die wel deelnam zonder te klagen.
Daar trok ik mijn conclusie.
Ik liet hen achter.
Zij pakten hun spullen. De rest van de groep was al verder gelopen. Ik stopte een lichtstick in mijn schouderzak, bedoeld als klein baken in het donker. Maar bij iedere stap die ik zette, schoof ik het lichtje verder weg.
Eerst was het nog zichtbaar.
Toen werd het een klein puntje.
En uiteindelijk verdween het volledig uit zicht.
Op dat moment voelde ik geen twijfel, geen schuldgevoel, geen aarzeling. In mijn hoofd was de conclusie simpel.
Pas jaren later kwam er een andere vraag.
Niet of zij de test hadden doorstaan.
Maar of ik dat had gedaan.
Want wie laat mensen eigenlijk achter in een gebied dat zij niet kennen?