Teenslippers
Na een paar uur zwemmen en zonnebaden zat ik in de metro, loom van de hitte. Twee vrouwen van middelbare leeftijd zaten tegenover elkaar te praten. Bij een halte stapte een man in. Hij ging naast een van hen zitten; verder niets opvallends, totdat hij de muziek op zijn telefoon hard aanzette — veel te hard voor een metro. Zijn haar kort, alsof het als een matje tegen zijn schedel was geplakt; zijn huid zo zwart als geblakerde barbecuekool, ogen gelig en rusteloos. Minutenlang zat hij zo, wiebelend, onrustig, tot hij zich ineens breder begon te maken — zó breed dat de vrouw naast hem bijna in de hoek werd gedrukt.
Ik zette mijn zonnebril af, pakte mijn telefoon en typte alvast een conceptmelding in het RET‑noodnummer. Metrolijn, rijrichting, wagonnummer, onze plek. De telefoon hield ik zichtbaar vast, klaar om het station toe te voegen zodra we er waren.
34 graden. Teenslippers. Als er iets is waar ik een hekel aan heb, zijn het slippers — maar bij 34 graden en een stranddag zijn ze nog net te verdragen. Toch moet ik mijn keuzes heroverwegen; ik ben verwend geraakt. Onlangs heb ik zelfs een training geskipt omdat ik allergisch ben voor hondendrollen. Drollen en haren — zelfs mijn eigen haren. Hoe strak ik ze ook opsteek, hoe schoon ik ook werk: tijdens het koken vind ik altijd wel ergens een haar op het aanrecht. Ik kan daar slecht tegen.
Stringfoot‑duiven breng ik steevast naar vrijwilligers; mij niet gezien. Die beesten hebben met hun pootjes door vreemde mensenharen gewroet, raken verstrikt, poten sterven af, en ze strompelen rond als lepra‑patiënten.
De training zou plaatsvinden in het Kralingse Bos. Zomers, heet, en een deelneemster noemde onze meidengroep al "sjaak afhaak". Lady M., onze instructrice — zwarte band, humor, een fenomeen — stuurde:
"Dear all, some of you whinos have complained that tomorrow will be 'too hot' to work out under the sun. Consequently, I will go to the Kralingse Bos earlier and find a spot with shade suitable for your delicate skins."
Later nog: "Please bring a hand towel for your head or back if we do sit‑ups. Last time we almost had a meltdown because someone had washed their hair before the lesson."
En ik haakte dus af vanwege hondendrollen in het gras. Want als de zon de hele dag op het asfalt heeft staan bakken, wijken we uit naar het gras. No thank you. Maar ondanks dat ik niet wijk voor drollen en haren, moet ik mijn standpunt over slippers herzien. Als ik moet ingrijpen, wil ik geen slipper die blijft haken.
In mijn tas een fluit aan de sleutelbos, in mijn zak een kubotan. Ik was er klaar voor. Terwijl ik nadacht over grepen die ik ooit wilde uitproberen, kreeg ik — ondanks het hygiëne‑aspect — er bijna schik in. Scenario's speelden zich af: wat als hij een mes zou trekken? Zijn kleding was ruim genoeg om iets te verbergen.
Ik dacht aan mijn oude leraar, een beest van een man, ooit zelfs in zijn hand gestoken. Jaren geleden zag ik hem op het strand. Twee brede bodybuilders liepen voorbij, en achter hen liep een lange, slanke man. Dat was mijn leraar. Zo snel als een cheetah, zo sterk als een beer, handen als misvormde berenklauwen. Niemand zou herkennen wie hij was. Zelfs mijn vader kende hem nog van vroeger, toen hij in zijn eentje een groep oproerkraaiers had verslagen.
Zijn trainingen waren keihard: stokken tegen je buik, armen, benen; de zenuwen in je handen doodslaan door met je vlakke hand tegen een steen te slaan; sierlijke jurus en langkah. Van een van zijn leerlingen kocht ik later de kubotan.
Zelf heb ik genoeg geïncasseerd: oogbollen wegdrukken tot je denkt dat je blind bent, klappen tegen je hoofd alsof je in een auto‑ongeluk zit — en dat heb ik ook gehad, door de vooruit gevlogen, meters verder geslingerd. Splinters die je dagen later uit je schedel voelt komen. En ja, ik weet wat er gebeurt op het moment dat een mes niet langer alleen een dreiging is — ik ben ooit degene geweest die die grens overschreed.
Ik beschrijf overigens ervaringen, geen vaardigheden. Groot verschil. Het is niet dat ik wil ingrijpen; ik ga er gewoon vanuit dat het nodig kan zijn en dat niemand anders opstaat. De scenario's die ik doorloop zijn voorbereiding: bedenken wat er moet gebeuren als het zover komt.
Ook die reflex probeer ik bij te stellen. Sinds dit jaar ben ik geen BHV'er meer. Mijn ervaring is vooral dat mensen verdwijnen zodra er echt iets gebeurt — alsof ze wegschieten als ongedierte wanneer je een steen optilt.
Een paar zomers terug was er twee metro's na mij nog een schietpartij. 's Ochtends kon ik een station niet in omdat iemand was doodgestoken, 's avonds was er weer een aanval, en thuis hoorde ik dat er ook nog geschoten was. Het metro‑leven.
De vrouw stond ineens op. Ze was er klaar mee. De twee vriendinnen gingen ergens anders zitten. De man besloot daarop half te gaan liggen en twee stoelen in beslag te nemen. Ik bleef nog even opletten, maar toen de metro voller werd, moest ook hij zich schikken in de sardientjes‑opstelling. Het gevaar was geweken.