Een boterham

09-09-2026

Ik had mijn kind net weggebracht naar het kinderdagverblijf en was onderweg naar mijn werk. In die periode werkte ik als juridisch secretaresse bij een advocatenkantoor. Na de relatiebreuk stond alles in het teken van overleven. Het huis stond te koop, ik probeerde met bijna niets een huurwoning in te richten, en alimentatie kwam er niet. Toeslagen waren ooit afgewezen toen we nog samenwoonden, dus in mijn hoofd bestonden die mogelijkheden eigenlijk niet meer.

Voor mijn kind was er altijd eten. Voor mezelf was dat niet vanzelfsprekend.

Die ochtend liep ik richting de metro. In mijn tas zat één snee brood. Meer niet. Ik was netjes gekleed, liep in een vlot tempo, en niemand die mij zag, zou vermoeden hoe weinig er achter die buitenkant zat.

Van buiten leek alles stabiel. Van binnen was het rekenen, schikken, overbruggen.

Bij de ingang van de metro zag ik hem staan.

Hij sprak zacht, bijna mompelend, zonder iemand aan te kijken of zich op te dringen. Toch was zijn stem precies hoorbaar genoeg om op te vangen wat hij zei.

Dat hij graag iets wilde eten. Dat hij honger had. Dat hij hoopte dat iemand misschien iets voor hem had.

Ik liep naar hem toe om zeker te weten dat ik het goed had verstaan. Toen ik vroeg wat hij zei, keek hij me aan en herhaalde het eenvoudig: dat hij zo'n honger had, en of ik misschien een boterham had.

Hij had er maar één nodig.

In mijn hoofd ging er van alles tegelijk door me heen. Natuurlijk dacht ik even: dit is nu net die ene boterham die ik zelf nog heb. Maar tegelijkertijd wist ik ook dat dit precies was waar hij om vroeg.

Niet meer. Niet minder.

Ik haalde de snee brood uit mijn tas. Een droge boterham, zonder iets erop. Ik verontschuldigde me ervoor en zei dat ik verder geen geld had en hem niet anders kon helpen. Ik verontschuldigde me dat er geen beleg op zat.

Hij nam hem aan en dankte me. Hij zei dat het niet uitmaakte dat er niets op zat. Later die ochtend zou een fastfoodrestaurant opengaan, vertelde hij, en daar kon hij er gratis suiker op doen.

Ik stond daar, met mijn lege tas en mijn nette kleding, en dacht: Hoe is het mogelijk dat ik precies had wat hij vroeg. Het leek wel een test.

Uit Cor Est Porta

Share