Mieren in Andermans Nest
Er zijn mensen die alles zien, en mensen die niets zien terwijl iedereen hen ziet.
Ik ben aan tafel gaan zitten in een kamer in een stad, omringd door allemaal anti-posters gericht tegen de partij waar ik toen deel van uitmaakte. Dat was midden in dat tijdperk, en daar zat ik dan, in het hol van de leeuw. Ik deed nog even een sigaretje op het dakterras, beseffend dat mijn tasje aan de kapstok binnen hing en dat, als er toch een scherpe geest was die zich realiseerde wie daar buiten stond, het best een interessant treffen kon worden. Maar ik heb wel voor hetere vuren gestaan, dus er is maar weinig dat een andere emotie oproept dan interesse (in de zin van: we zullen zien).
Dit nare trekje zou zich vaker laten zien. Zoals die keer dat ik een jongeling uitdaagde op basis van zijn eigen woorden, waarmee ik probeerde zijn positie te destabiliseren. Scheldend liep hij het station uit. Frederick had het briefje overhandigd dat hij moest geven.
Het is bijna te absurd voor woorden als je eraan terugdenkt. Er stond een datum op en een tijdstip. Met een korte zin: "Wapen naar keuze."
"Was she mental?" moeten ze gedacht hebben als ik eraan terugdenk. Naar keuze. Dat kon van alles betekenen. Een mes, een pistool, een harpoen, zelfs een kettingzaag hadden ze kunnen bedenken. En in die uitgestrekte vlakte van onzekerheid zag zij uitdaging. Wordt het pareren? Wordt het rennen? All good.
Truth is stranger than fiction, bedenk ik me dan. Wees gerust, die nieuwsgierigheid heb ik allang niet meer. Ik heb gekeken in de diepte van de zielen en ik vond daar absoluut niets. Het is niet de moeite waard om door troebel water te waden; je vindt er geen parel.
Zo bevond ik mij ooit op een open plein. Ik was in gezelschap van een jongeling met wie ik diep in de nacht had gejogd, terwijl de rest van de wereld sliep, onder maanlicht en begeleid door niets anders dan een muzikaal bekwaam koor van zingende kikkers.
Op dat plein stond een oudere man naast een vette bak die welvaart uitschreeuwde. De achterklep stond open. In de kofferbak lagen vuurwapens. Niet verstopt, niet afgedekt, maar open en bloot alsof hij tweedehands golfclubs stond te verkopen. Zijn koper was een jongeling, nog vol testosteron en zelfvertrouwen. Ze stonden rustig zaken te doen terwijl rondom het plein appartementen lagen waarvan de bewoners vanaf de tweede en derde verdieping zonder moeite hadden kunnen meekijken.
Ik keek om mij heen en vroeg me af of ik de enige was die zag hoe absurd dit was. Het had iets van Bananasplit. Alsof er ieder moment iemand uit een struik zou springen om te vertellen dat het een verborgen camera was. Maar het was geen grap.
Met iemand die zo naïef is, zal ik al zeker geen Pietje Bell uithalen, bedacht ik. Naïviteit is een risico dat verder reikt dan degene die haar bezit. Eén onoplettend moment van de één kan de ondergang van tien anderen betekenen. Wie zijn omgeving niet leest, vormt uiteindelijk niet alleen een gevaar voor zichzelf, maar ook voor iedereen die aan hem verbonden is.
Ik heb ook het tegenovergestelde gezien. Ik ben eens op pad geweest met een professionele dief. Dat alleen al klinkt als een slechte film. Ik wilde zien hoe hij dat deed en mocht mee. Nog ongelooflijker was dat ik hem daadwerkelijk aan het werk zag.
Hij liep een kleine winkel binnen. Er was één verkoper aanwezig. Hij pakte een opgerold tapijt van enkele meters lang onder zijn arm en liep ermee naar buiten. Dat was alles. Ik stond nog binnen terwijl hij al verdwenen was.
Later was hij woest op mij. Niet omdat hij bijna was gepakt, maar omdat ik nog binnen stond. Ik had niet eens gezien hoe snel hij zijn werk deed.
Een andere keer trok hij een speciaal pak aan met een enorme nepbuik. Daar verdwenen tijdens het winkelen allerlei spullen in. Zijn favoriete doelwit waren juist de exclusieve kledingzaken. Hij verscheen daar in een duur pak, zag eruit alsof hij moeiteloos duizenden euro's aan kleding kon betalen en liep tussen de klanten alsof hij er thuishoorde.
Destijds hadden veel van die winkels nog geen detectiepoortjes. Niemand keek op van een man die eruitzag alsof hij tot het vaste publiek behoorde. Met die gestolen kleding reisde hij later met enkele kompanen naar plaatsen waar de welgestelden verbleven. Niet om op te vallen, maar juist om volledig op te gaan in hun omgeving. Hotelkamers werden leeggehaald en vrouwen die achteloos met kostbare sieraden rondliepen, werden zorgvuldig geobserveerd.
Op een avond belde een andere dief aan. Ook hij zag er onberispelijk uit: prachtig wit haar, een net pak en keurige omgangsvormen. Je zou hem eerder verwachten op een notariskantoor dan in het criminele circuit. Maar zijn specialiteit lag ergens anders. Hij hield zich bezig met eenvoudige woningen. Openstaande ramen. Slecht afgesloten deuren. Mensen met minder geld.
Wat mij vooral opviel, was hoe gespecialiseerd die wereld eigenlijk was. Alsof ik naar een vakvereniging zat te kijken. De één werkte uitsluitend in dure kledingzaken, een ander richtte zich op hotelkamers en weer een ander op eenvoudige woninginbraken. Iedereen had zijn eigen discipline.
Ik zal nooit vergeten dat er op een avond iemand aan tafel kwam zitten, een fluwelen zakje met diamanten op tafel legde en de professionele dief zonder een woord een loep uit een lade pakte. Steentje voor steentje werden ze bekeken, alsof een juwelier een nieuwe levering inspecteerde. Even later ging dezelfde lade opnieuw open. Ditmaal verscheen er geen loep, maar een catalogus. Toen ik erin keek, bleek het een complete handleiding voor inbrekers te zijn. Pagina na pagina vol gespecialiseerd gereedschap om sloten open te maken, cilinders te breken, beveiligingen te omzeilen en woningen binnen te dringen. Voor vrijwel ieder type slot bestond een ander hulpmiddel. Ik had geen idee dat zoiets überhaupt bestond.
Wat mij altijd is bijgebleven, is dat intelligentie en verstand twee verschillende dingen zijn. Ik heb mensen gezien die in enkele seconden een complete winkel konden bestelen, mensen die duizenden euro's aan diamanten konden beoordelen en mensen die precies wisten welk slot met welk gereedschap open ging. Maar dezelfde mensen leefden als een jojo. De ene week leefden ze als koningen, de volgende week konden de vaste lasten niet meer worden betaald, daarna volgde een gevangenisstraf en vervolgens begon alles opnieuw.
Vrijwel alle genoemde personen in dit verhaal zijn vroeg of laat achter slot en grendel verdwenen. Wie daar níét verdwenen waren, waren de mensen met wie ik graag optrok. Zij die mij in de nachtelijke uren belden, badend in het zweet van nachtmerries en pijn. Veteranen die in de jaren negentig aan gif waren blootgesteld. Maar ook zij zijn er niet meer.
Mijn mentor is eveneens overleden. Hij was ooit nog actief in Rhodesia. Zelfs nadat we elkaar niet meer spraken, kwamen we met nieuwjaar altijd nog even virtueel bij elkaar. We waren allebei altijd alleen. Hij noemde mij steevast Lisa, omdat ik gek ben op lezen en hij mij dikwijls boeken toestuurde. Voor mij was hij daarom logischerwijs Homer.
Ik vraag me af of de oud-vreemdelingenlegionair nog leeft — ik betwijfel het ten zeerste — die mij leerde mijn emoties onder controle te houden. Dat deed hij op dezelfde wijze als waarop ik mijn zoon vroeger in de maling nam. Het mannetje was nog zo klein. Het moment waarop hij doorhad dat ik hem in de maling nam, zal ik nooit vergeten. Hij had een T-shirtje aan en een luier en stond daar, met die blote, bolle, witte beentjes tegen de muur geleund, in een schaterlach die maar bleef aanhouden.
Ik hou van het bonte gezelschap aan mensen dat het leven biedt, of het nu wel of geen tegenstanders zijn in de absurditeiten van meningen die weinig lijken voor te stellen wanneer je vanuit een Cessna uit het vliegtuig springt. Dan lijken we allen mieren die elkaar in de weg lopen in andermans nest.
Ik hou van de Herman Broods, de Pistolen Paultjes en de Klazientjes uit Zalk; mensen die de samenleving kleur geven en niet met een opgeheven vingertje staan te pikketrillen wanneer ze iets horen dat voor hen nieuw is en daardoor, binnen hun beperkte referentiekader, direct als vijandig wordt ervaren.
Mijn voorkeur gaat uit naar de oude rotten, de legionairs en de veteranen. Niet de jonkies van wie er miljoenen één missie hebben meegemaakt, tezamen met miljoenen anderen, en die dat vervolgens de rest van hun leven als een badge of honor dragen, maar de rotten die de littekens op hun huid én op hun ziel dragen. Die zul je geen mensen zien schofferen omdat hun trots hen confronteert met bergen die zij nooit beklommen hebben.
Doch zijn ook zij vele malen meer waard dan de nomaden die zich settelen waar hun bestaan wordt beloond met voorzieningen, terwijl ze daar zelf niets voor hoeven te doen; nieuwe generaties barend die evenmin een duit in het zakje zullen doen. Die hun kinderen voor de eigen woning laten poepen om een uur later statig voorbij te lopen alsof mijn ogen mij hadden bedrogen.
Voor het land dat hen voedt zullen zij hun leven al helemaal nooit laten, want zij voelen zich er niet mee verbonden. Ze voelen zich met het land net zo verbonden als een jonge, beeldschone vrouw met de negentigjarige steenrijke man die zij huwt.
Ik heb het gezien op de reservistenavond en ik heb het gezien in de PI: wie aanwezig zijn en wie afwezig blijven.
Hoe vaak krijgt de mens in zijn leven niet te maken met egotrippers, dwazen, mensen die leven in veilige bubbels en getraumatiseerd raken zodra een ander zijn hoofd ooit boven het Malieveld heeft uitgestoken?
Niet elke jongeling, hoor. Petrus van de sneeuwbal was een 'oudere jongere'. Geen ego, maar een stilte die geen leegte, doch inzicht en afweging verraadde. En zo eens in de zoveel tijd kom je een oudere jongere tegen. Dat bekoort mijn hart, omdat zij de toekomst zijn: de beschermers van vandaag en de leiders van morgen, die nieuwe generaties zullen vormen.