Broodroof

01-08-2026

Het was laat in de avond en ik was op weg naar huis. Ik was nog ongeveer drie kilometer van mijn woning verwijderd. Ineens ging een auto langzamer rijden. Er zaten twee mannen in. De bestuurder draaide zijn raampje naar beneden en vroeg mij al rijdend of ik wist waar de Visserstraat 2 was. Hij vroeg letterlijk naar mijn adres. Ik zei dat ik dat niet wist en liep gewoon door. Het voelde niet als intimidatie. Ik weet nog altijd niet wat het moest voorstellen.

Mensen blèren tegenwoordig overal hun mening om je heen, zeker in deze tijd. Maar ze weten vaak niet wat de werkelijke prijs is die iemand betaalt. Iedereen heeft een reden. Iedereen heeft een verleden. En iedereen betaalt een prijs.

Op geopende brieven na heb ik zelf weinig gemerkt van intimidatie of observatie. Dat was anders voor sommige van mijn partijgenoten. Zij werden ook op hun werk lastiggevallen of kregen te maken met huiszoekingen waarbij hun woning overhoop werd gehaald, zonder dat daar uiteindelijk iets uit kwam. Anderen werden ineens geconfronteerd met het feit dat hun bankrekening was opgeheven. Banken kunnen dat ook; in de algemene voorwaarden, zoals de Algemene Bankvoorwaarden in Nederland, staat dat zowel de klant als de bank de relatie te allen tijde kan beëindigen. 

Zelf had ik nooit problemen met mijn bankrekening, maar één telefoontje is me altijd bijgebleven. Ik belde ze ooit met een simpele vraag — ik weet niet eens meer welke — en de medewerker reageerde op een manier die totaal niet paste bij de situatie. Alsof hij een aantekening over mij had gelezen. Hij klonk nieuwsgierig, bijna aanmoedigend, alsof hij wilde horen wat ik "nu weer ging doen". Heel eigenaardig.

Zelf had ik vooral last van de media.

Zo had ik regelmatig de voordeur openstaan, zodat mijn kleine mannetje vrij naar buiten kon spelen en weer naar binnen kon lopen. Ik had de huiskamer zo ingericht dat het voor hem en zijn vriendjes een heerlijke plek was om gewoon kind te kunnen zijn. Er stond een oude driezits bank die ik speciaal via Marktplaats had gekocht. Daar mocht met hartelust op worden gesprongen en zelfs op worden getekend. Dat vond ik prima.

Het laatste wat je dan verwacht, is dat een journalist zonder aankondiging en zonder enig fatsoen je huis binnenloopt om een interview af te dwingen. Ik heb daar niet aan meegewerkt. Het resultaat was een afschuwelijk artikel.

Een andere keer bleef een journalist mij via e-mail benaderen. Toen ik geen gehoor gaf, werd er gedreigd dat men dan zou schrijven dat ik alsnog connecties had met de randdebiel waar zij op dat moment een item over maakten. Ik heb één keer kort gereageerd dat ik geen medewerking wilde verlenen, in de hoop dat het daarna zou stoppen. Dat gebeurde niet.

Eerst kwamen ze bij mijn huis langs. Ze vroegen mijn kind waar ik werkte. Hij was nog veel te klein om te beseffen wat hij daarmee prijsgaf. Daarna gingen ze rechtstreeks naar mijn werk. Ik kreeg berichten dat ze om de hoek stonden en dat ik naar buiten moest komen. Ook daar reageerde ik niet op. Vervolgens belden ze aan bij mijn werk en heb ik collega's moeten vragen hen niet binnen te laten.

Online had ik er misschien nog wel het meeste last van. Je las de meest afschuwelijke dingen. Mensen die schreven dat je levend verbrand of begraven moest worden. Jaren nadat ik politiek actief was geweest, ontdekte ik bovendien dat iemand onder mijn naam op allerlei websites reacties had geplaatst om mensen tegen mij op te hitsen. Ik heb de beheerders van die fora benaderd en uiteindelijk zijn die berichten verwijderd. Maar toen waren we jaren verder. Al die tijd hadden die reacties gewoon online gestaan.

Ook op mijn werk bleef het mij achtervolgen.

Ik heb een passie voor wat ik doe. Of het nu gaat om het bouwen van elfenhuisjes of om schoonmaken, ik probeer mijn werk altijd zo goed mogelijk te doen. Daardoor kreeg ik meestal al snel meer verantwoordelijkheid en vaak ook een salarisverhoging. Bij één werkgever gebeurde dat al na drie maanden. Na een jaar verzamelden collega's zich zelfs spontaan om mij heen om mij te bedanken voor alles wat ik voor hen betekende. Ik heb de kaart en het beeldje dat ik toen kreeg nog steeds. Nog geen half jaar later kwam ik op mijn werk en werd ik direct naar het kantoor van de directrice geroepen. Ze vertelde mij dat ze had ontdekt dat ik een Wikipedia-pagina had. Daar was ze van geschrokken. Vervolgens deelde ze mee dat ik werd ontslagen.

Je moet je eens voorstellen dat je een volwassen ondernemer moet uitleggen dat Wikipedia een website is die grotendeels door anonieme vrijwilligers wordt bijgehouden en waarvan zelfs de oprichter meermaals heeft gewaarschuwd dat je de inhoud niet zonder meer als waarheid moet aannemen. Dat is een kansloze discussie. Als iemand vooraf al heeft besloten je te ontslaan vanwege wat anderen over je schrijven, en niet vanwege wat je zelf zegt of doet, dan heeft zo'n gesprek weinig zin.

Ik bleef vriendelijk. Ik bedankte haar voor de mooie tijd die ik daar had gehad en gaf haar een hand. Ik ben er namelijk een groot voorstander van om altijd beleefd te blijven, ook als een ander dat niet is.

Daarna mocht ik direct mijn spullen pakken. Onder toezicht werd ik naar buiten begeleid alsof ik een crimineel was, terwijl ik mijn collega's hoorde fluisteren dat ze dit nóóit achter mij hadden gezocht.

En wat dan precies? Heb ik soms iemand verkracht? Vermoord? Kinderen opgegeten? Het moet toch wel iets verschrikkelijks zijn om iemand zijn broodwinning af te nemen.

Vergis je niet: dit soort oordelen hebben ervoor gezorgd dat ik mijn kind niet heb kunnen geven wat hij verdiende. Ze hebben er ook voor gezorgd dat ik mijn vader niet heb kunnen helpen wanneer dat nodig was.

Ik heb altijd geholpen waar ik kon. Meestal op een praktische manier. Even boodschappen doen voor ouderen die dat zelf niet meer konden. Ergens bijspringen als dat nodig was. Financieel kon ik anderen in die periode nauwelijks ondersteunen. Geld doneren deed ik daarom zelden.

Ook bij een andere werkgever verliep het aanvankelijk uitstekend. Ik kreeg een prachtige beoordeling en beloning. Nog geen week voordat ik op gesprek moest komen, had ik het leven van een man gered die een hartaanval kreeg. Dat is geen beeldspraak; hij kreeg daadwerkelijk een hartstilstand. Het contrast kon haast niet groter zijn.

En toen moest ik ineens op gesprek komen.

De werkgever, die mij daarvoor nog zo had geprezen, zei: "Ik ben naar HR gegaan, maar ik kan je niet ontslaan. Als ik had geweten wie je was, had ik je nooit aangenomen. Ik ben zelf rechts, maar ik spuug op jouw denkbeelden."

Welke denkbeelden?

Opnieuw zat ik tegenover iemand die zijn oordeel al had gevormd voordat ik überhaupt mijn mond had opengedaan. Ook hier zag ik weinig meerwaarde in een intellectuele verdieping. Als je zo wordt benaderd, verlies je vanzelf de behoefte om nog iets uit te leggen.

Later bleek dat een collega hem op mijn verleden had gewezen. Zij had alles wat ze over mij kon vinden terzijde geschoven en juist gekozen voor de meest negatieve verhalen. Opmerkelijk genoeg was zij tijdens de eerste sollicitatieronde zelf afgewezen. In die periode ging ze elke kamer af om haar onzekerheden te uiten en sprak haar frustraties uit. Ik probeerde haar juist moed in te spreken. Ik zei dat ze het niet persoonlijk moest opvatten, dat ze gewoon moest wachten op een volgende sollicitatieronde en het dan opnieuw moest proberen. De tweede keer werd ze aangenomen. Het glibberen van deur naar deur hield daarna niet op. Het onderwerp dat nu van haar tong rolde, dat was ik zelf geworden. Mensen die kijken, maar niets zien. En horen, maar niet luisteren.

Je wordt afgerekend op woorden, niet op daden.

En dat terwijl je in dezelfde werkomgeving mensen zonder blikken of blozen hoort zeggen dat een politicus "een kogel moet krijgen" en soortgelijke uitspraken doet. Tot geweld heb ik nooit opgeroepen. Dat is ook nooit mijn manier van denken geweest. Ik heb altijd geloofd in orde, structuur en reorganisatie. Als iets niet werkt, moet je onderzoeken waarom het niet werkt en vervolgens ingrijpen. Zachte heelmeesters maken stinkende wonden.

Er waren ook periodes waarin ik mijn schoenen al had gepoetst, mijn kleding had klaargelegd en mijn tas had ingepakt, om één dag vóór mijn eerste werkdag een aangetekende brief te ontvangen waarin stond dat ik toch niet hoefde te komen. Andere keren was het contract al getekend en bleek mijn komst ineens "niet meer nodig".

Ik herinner mij een gesprek met een oud-partijgenoot die zich beklaagde dat hij maar geen werk kon vinden. Hij begreep niet waarom het mij uiteindelijk wel lukte.

Dat beeld klopte maar ten dele.

Ik was inderdaad weer aan het werk, maar pas nadat ik ongeveer een jaar had overbrugd en meer dan duizend sollicitaties had verstuurd. Hij had het over pakweg tweeënvijftig sollicitaties.

Die tussenliggende periode bracht ik door met een uitkering. En eerlijk gezegd heb ik mij in die tijd nog best vermaakt.

Je kreeg allerlei bezigheidstherapieën. Samen buiten schoonmaken bijvoorbeeld. Dan deelde ik het werk zo praktisch mogelijk in: de één verzamelde elastiekjes, de ander dopjes. Iedereen had iets te doen.

Ik ontmoette er ook markante figuren.

Zo zat ik eens tijdens een verplichte cursus 'Hoe schrijf ik een brief?' naast een deftige man. Hij vroeg mij of ik alsjeblieft niet aan een bepaald familielid wilde vertellen dat ik hem daar had gezien. Hij was bang dat die persoon hem daardoor minder zou respecteren. Dat familielid dacht overigens precies hetzelfde over mij. Een woord is een woord. Tot op de dag van vandaag heb ik nooit verteld wie die man was. En dat zal ik ook nooit doen.

De banenmarkten waren trouwens ook altijd een belevenis. Je schoof van hokje naar hokje voor korte gesprekjes. Tijdens zo'n gesprek kwam een koffiedame langs en vroeg of ik iets wilde drinken. Even later zette ze een cappuccino voor mij neer en liep vervolgens naar het volgende hokje. Pas toen ze weg was, besefte ik wat er zojuist was gebeurd.

Ze had gedacht dat ík de consulent was en de man tegenover mij de werkloze sollicitant. Hij zag er eerlijk gezegd ook naar uit. Ik daarentegen liep er altijd verzorgd bij. Netjes gekleed, een portefeuille onder mijn arm, een goede pen op zak, verzorgd haar, oogcontact, handdruk en manieren. Ik vond dat vanzelfsprekend. Niet omdat ik mij beter voelde dan een ander, maar omdat ik respect heb voor degene met wie ik een gesprek voer. Nooit uit minderwaardigheid.

Eén sollicitatie zal mij altijd bijblijven. Het was bij een advocatenkantoor. Bij binnenkomst werd ik allesbehalve hartelijk ontvangen. Er werd niet eens gezegd waar ik mijn jas kon ophangen. Sterker nog, nog voordat het gesprek goed en wel begonnen was, kreeg ik direct te horen dat ik het salaris dat ik op mijn cv had vermeld niet zou krijgen.

Daar stond ik dan. Netjes gekleed, goed voorbereid, alles op orde, om te horen dat zelfs het basisbedrag – dat destijds voor een juridisch secretaresse heel normaal was en eerlijk gezegd al niet bijzonder hoog – volgens hen te veel was.

Aangezien ik er toch al was, en ik op dat moment eigenlijk al wist dat ik die baan niet zou aannemen, besloot ik het roer om te gooien. Ik liet mij ontspannen in de stoel zakken en zei dat ik eigenlijk best een kopje koffie lustte.

De man keek mij enigszins verbouwereerd aan, stond op en liep de gang op om koffie te halen. Terwijl hij weg was, rolde ik met mijn stoel – die gelukkig wieltjes had – een stukje de gang op en riep hem na: "Neem voor jezelf ook wat lekkers mee."

Toen hij terugkwam, was hij niet langer de man met de opgeblazen borst waarmee hij het gesprek was begonnen. Zijn houding was volledig veranderd. Hij ging zitten en begon zich te verontschuldigen. Hij vertelde dat hij echt niet meer kon betalen en voegde eraan toe dat zelfs zijn eigen vrouw als manager bij een gerenomeerd warenhuis minder verdiende dan het salaris dat ik had gevraagd.

Kolder. Absolute kolder. Als dat werkelijk zo was, dan moest zijn vrouw misschien eens op zoek naar een andere baan.

Hij probeerde nog uit te leggen waarom het salaris volgens hem redelijk was, maar ik had mijn keuze allang gemaakt. Ik luisterde nauwelijks. Ik dronk rustig mijn koffie op, wenste hem een prettige dag en daarna scheidden onze wegen.

Een andere keer zat ik aan tafel bij een verzekeringsmaatschappij. De man met wie ik het gesprek zou voeren liet mij eerst wachten. De secretaresse bracht mij alvast naar de vergaderruimte waar ik kon plaatsnemen.

Het was een prachtige kamer, met een grote donkere eikenhouten tafel. Aan de inrichting was overduidelijk te zien welke stoel voor de directeur of manager was bedoeld.

Je raadt waarschijnlijk al wat ik deed.

Precies.

Ik nam plaats aan het hoofd van de tafel. Ik legde mijn telefoon neer, zette mijn glas water voor mij, legde mijn – toen nog leren – documentenmap op tafel en daarnaast mijn zilveren pen. Alles netjes uitgestald alsof ik daar thuishoorde.

Toen hij binnenkwam, zag ik hem heel even uit zijn doen raken. Heerlijk. Ik moest er stiekem om lachen.

Zou het mijn kansen op de baan hebben vergroot? Ongetwijfeld niet. Kon ik de verleiding weerstaan? Ook niet.

Op zulke momenten voel ik mij een beetje als een kat die een pen langzaam naar de rand van de tafel schuift. Niet omdat het moet, maar simpelweg omdat de verleiding te groot is om te zien wat er gebeurt.

Tijdens het gesprek stelde ik hem een paar vragen over zijn eigen organisatie. Al vrij snel bleek dat hij niet wist waar de slogan van zijn eigen bedrijf vandaan kwam.

De baan kreeg ik niet.

Was die kleine grap het waard geweest?

Absoluut.

En of mijn vroegere denkbeelden veranderd zijn? Natuurlijk. Niet elke jood is een zionist, net zoals niet elke pedofiel kinderen misbruikt. — ba‑dum‑tss! (met twee vingers tik ik het droge mini‑tromgeroffel op tafel, precies zoals David Letterman dat altijd deed) 

Share